Persbericht

Gelijkschakeling tussen beursstudenten en niet-beursstudenten met een leefloon.

Jonge studentJonge student
Op voorstel van de minister van Maatschappelijke Integratie, Karine Lalieux, besliste de federale regering om de bestaande discriminatie tussen beurs- en niet-beursstudenten met een leefloon en studentenjob, af te schaffen.
Vanaf 1 januari 2022 wordt de sociaal-professionele vrijstelling voor beurs- en niet-beursstudenten gelijk. Dit komt neer dat ze vanaf nu 264,13 euro per maand mogen aftrekken. Tot nu toe lag dat bedrag bij niet-beursstudenten met een leefloon op slechts 72,23 euro per maand.
 
“We hebben deze maatregel tijdelijk ingevoerd door de crisis om zo in te spelen op de groeiende onzekerheid bij studenten. Maar deze discriminatie was al zelfs vóór de crisis onrechtvaardig. We maken deze coronamaatregel dus nu ook structureel”, onderstreept minister Lalieux.
 
Een rechtvaardige evolutie
 
Onze samenleving evolueert. Het feit dat men dit nu gelijkschakelt, kadert daar in. Want dit onderscheid ontstond vanuit het idee dat een student niet hoefde te werken om zich aan zijn studie te wijden: de hogere vrijstelling compenseerde zo de beurs. Maar de tijden veranderen.
 
“De oude regel bestrafte de meest kwetsbaren. Dit waren de jongeren die moesten rondkomen met een leefloon én een studiebeurs. Door een lagere sociaal-professionele vrijstelling, verloren ze meer dan 185 euro aan inkomen per maand. De gelijkschakeling tussen deze twee categorieën studenten die zich inschrijven bij het OCMW draagt zo bij in de strijd tegen de armoede bij onze jongeren’, concludeert de minister.